Bekijk alle
categorieen

De juiste heat-input, wat is dat?

Met de komst van de (complexe) pulserende lasprocessen is de traditionele wijze van heat input berekening niet altijd een juiste weergave van de energiehoeveelheid die gebruikt is tijdens het lasproces. 

Bij de traditionele methode wordt gerekend met de gemiddelde stroom en gemiddelde spanning waar het product van wordt genomen om tot de geleverde energiewaarde te komen. Deze berekening houdt echter geen rekening met de soms zeer grote ongelijktijdigheid van de optredende hoge of lage stromen en spanningswaardes. Om dit te ondervangen dient men te werken met de geleverde energie (instanteneous energy) of geleverd vermogen (instanteneous power). Deze energiewaardes worden opgebouwd door stroom en spanning per milliseconde te vermenigvuldigen en om zetten in een energiecomponent. De instanteneous energy waarde is hierbij het totaal aan geleverde energie. De waarde van de instanteneous power staat voor het geleverde vermogen per seconde.

Om duidelijkheid te scheppen in het gebruik van de verschillende berekeningsmethoden van de heat-input is er een ISO technical report uitgekomen waar de richtlijnen in worden beschreven. Hieronder vind je een samenvatting van deze richtlijn. Zoals beschreven zijn er drie methode voor het berekenen van de heat-input, deze staan onderstaand uitgeschreven:
 

methode-1

 

methode-2

 

methode-3

Traditionele meetmiddelen voor het meten van de heatinput zijn een amperetang, voltmeter, een stopwatch en eventueel een meetlint. Indien je met deze middelen werkt, zul je gebruik moeten maken van methode 1. Indien de instanteneous energy wordt gemeten dient deze gedeeld te worden door de laslengte om tot de heatinput te komen. Indien men met de instanteneous power werkt zal deze waarde gedeeld moeten worden door de lassnelheid.

Indien er gelast wordt met conventionele stroombronnen zal de heat input bij de drie methoden gelijk zijn. Echter indien er gelast wordt met pulsprocessen of elektronisch gemanipuleerde boogkarakteristieken kan de heat-input tot 70% afwijken.

De instanteneous power of instanteneous energy wordt op veel geavanceerde stroombronnen weergegeven. In veel gevallen is het niet eenvoudig om dit vast te leggen. Het gebruik van een datalogger kan hierbij een oplossing zijn.

Door de afwijkingen in resultaten bij verschillende meetmethodes ligt het voor de hand dat de meetmethodes niet (altijd) door elkaar gebruikt mogen worden. Bij conventionele lasprocessen mag men de meetmethodes wel door elkaar gebruiken aangezien er geen afwijkingen in uitkomst op zullen treden. Verder geldt:

  • Indien er gelast wordt met een pulserend lasproces, mogen methode twee en drie door elkaar worden gebruikt.
  • Indien een WPQR wordt afgenomen met een pulserend lasproces en meetmethode 1 wordt toegepast volgen er beperkingen in de productie: de toegepaste stroombronnen dienen dan allen van hetzelfde type te zijn en tevens met dezelfde versie software te werken.
  • Indien men bij het procedurelassen van pulserende processen kiest voor methode 2 of 3 mag men in de productie niet werken met de heat-input volgens methode 1.

 

Meer informatie

Wil je meer informatie over de producten waarmee je heat-input kan berekenen of meer informatie over de methodes? Neem dan contact op met onze specialisten via telefoonnummer +31(0)88-6641777 of mail naar info@lpmw.nl.